Stroomopwaarts kostte de sector meer dan EUR 100 mln

Energeia, een digitale nieuwsdienst voor de energiesector, plaatste onlangs een prikkelend artikel over ons onderzoek naar de effecten van Het Nieuwe Marktmodel. Het nieuwswaardige stuk, doorgaans alleen beschikbaar voor Energeia-abonnees, beschrijft de meest opvallende feiten uit het onderzoeksrapport. Wilt u het volledige rapport ontvangen? Neem dan contact op met auteur Ruud Bouwhuis. Hieronder leest u het artikel dat op Energeia verscheen.

‘Stroomopwaarts kostte de sector meer dan EUR 100 mln’

Invoering van het Stroomopwaarts-pakket heeft de energiesector meer dan EUR 100 mln gekost. En die kosten wegen niet op tegen wat de aanpassingen binnen dat pakket de energiesector heeft opgeleverd. Dat wordt gesteld in een onderzoek van organisatieadviesbureau Eurogroup Consulting.

Eurogroup Consulting richt zich in zijn adviezen voor de energiemarkt met name op ‘klantoptimalisaties’. In het kader van een internship interviewde onderzoeker en student Energiewetenschappen Ruud Bouwhuis (inmiddels consultant bij het bedrijf) afgelopen jaar mensen uit de energiesector over de impact van de implementatie van het nieuwe marktmodel (zie kader) dat onder het Stroomopwaarts-pakket viel. Een dertigtal mensen die werkzaam zijn bij energiebedrijven en netbeheerders vulden een vragenlijst in, en negen mensen (door Bouwhuis aangeduid als ‘experts’) werden door hem geïnterviewd na invoering van het nieuwe marktmodel per augustus 2013.

Stroomopwaarts

Het vorig jaar augustus ingevoerde nieuwe marktmodel houdt verschillende zaken in. Het voor consumenten belangrijkste aspect is dat sindsdien leveranciers hun enige aanspreekpunt zijn als het gaat om energienota’s en meterstanden.  Leveranciers zijn nu verantwoordelijk voor het aanleveren van goede meterstanden (ook wel metermarktmodel genoemd) waar dat eerder door netbeheerders werd verzorgd. Daarnaast zijn leveranciers verplicht om klanten één energienota te sturen met daarop zowel leverings- als netwerkkosten (in plaats van twee aparte leveranciers- en netbeheerdersnota’s), dit wordt ook wel leveranciersmodel genoemd. Verder voegden netbeheerders hun aansluitgegevens in een centraal registratiesysteem (Car) in, waar leveranciers uit kunnen putten. Ook het invoeren van het capaciteitstarief (wat betekent dat de capaciteit van een aansluiting en niet het verbruik ervan het transporttarief bepalen) hoorden bij het pakket, dat alle betrokken partijen in de sector uitvoerden binnen het programma Stroomopwaarts. Het idee achter dit alles was dat de energiesector overzichtelijker en makkelijker voor kleinverbruikers zou moeten worden, en dat processen tussen betrokken marktpartijen beter geregeld werden.

Bouwhuis schetst in zijn onderzoek de voorgeschiedenis van het nieuwe marktmodel, waarvan de oorsprong lag in de chaos die volgde na de liberalisering van de energiemarkt voor kleinverbruikers. Die periode van verkeerde facturen,  foutief verwerkte switches en administratieve fouten leidde tot de wens om de sector voor consumenten eenvoudiger te maken (door leveranciers het hoofdaanspreekpunt te maken) en administratieve processen te vereenvoudigen door het invoeren van centrale systemen voor leveranciers en netbeheerders.

Op basis van zijn gesprekken stelt Bouwhuis dat het Stroomopwaarts-programma voor consumenten succesvol is verlopen in de zin dat zij niets in negatieve zin hebben gemerkt van de overgang die leveranciers en netbeheerders per augustus maakten naar nieuwe systemen. Maar de gesprokenen plaatsen wel kanttekeningen bij de vraag of de kosten die er gemaakt zijn om tot dit nieuwe model te komen wel in verhouding staan tot de voordelen die het oplevert.

Eén van de (niet met naam of functie aangeduide) betrokken stelt dat de implementatie meer dan EUR 100 mln heeft gekost. Die hoge kosten komen mede voort uit het lange traject dat er aan vooraf ging. De sector startte het Stroomopwaarts-overleg al in 2004, maar dat kwam in een impasse door het politieke debat over het (uiteindelijk niet) verplicht stellen van slimme meters. Nadat het weer werd opgepikt, verzandde het overleg in het zoeken naar veel compromissen, onderling wantrouwen en de conservatieve aard van de energiesector, schetsten geïnterviewden. Eind 2012 liep het programma vast door gebrek aan duidelijke sturing binnen EDSN, tekent Bouwhuis op. Dat, in combinatie met het niet op tijd gereed komen van nieuwe IT-systemen, leidde tot nog eens vier maanden vertraging, zo schetst Bouwhuis in zijn onderzoek.

Al met al ging er dus een klein decennium heen over aanpassingen binnen de sector die voortvloeiden uit de liberalisering in 2004. En de vraag is of de voordelen die het oplevert, de gemaakte kosten waard zijn, omdat de transitie van de energiesector vermoedelijk op korte termijn om nieuwe marktmodellen vraagt, schetsen de ondervraagden. De huidige markt zien ze als een tijdelijke situatie: ontwikkeling op het gebied van lokale opslag en opwek vragen op korte termijn om nieuwe marktmodellen -het nu door de sector binnen de werkgroep Pantheononderzochte optie van kwartierbeprijzing is hét voorbeeld daarvan. Maar het wordt misschien ook mogelijk voor consumenten om meerdere leveranciers te kiezen, van wie ze niet alleen energie betrekken, maar ook (tegen de voor hun interessante prijs) hun zelfopgewekte stroom aan kunnen verkopen. Misschien komen er wel nieuwe marktpartijen bij, die echt dienen als ‘hub’ waar vraag en aanbod van zelfopgewekte energie bij elkaar komen.

Het beeld dat uit het onderzoek naar voren komt, is dat het nieuwe marktmodel voor netbeheerders veel kosten scheelt omdat zij klantprocessen niet meer hoeven uit te voeren, maar wel het grootste deel van hun inkomsten nu indirect via leveranciers verkrijgen (omdat zij de transportkosten nu immers innen bij kleinverbruikers). Leveranciers moeten nu juist wel meer kosten maken, en ondervinden bovendien een hoger incassorisico nu zij ook de transportkosten voor netbeheerders innen. Wel hebben zij meer invloed op het noteren van juiste meterstanden en daarmee het versturen van juiste nota’s. De verwachtingen onder de geïnterviewden is dat de leveranciers hun hogere kosten terug zullen verdienen via consumenten, en dat de toezichthouder ACM als tegenwicht (voor de consument) daarvoor de transporttarieven lager wil zetten. Alles bij elkaar, zo geven de geïnterviewden aan, zal het effect van het nieuwe marktmodel gering zijn.

Daarmee zijn de betrokkenen uit de sector negatiever over de (financiële) voordelen van het nieuwe marktmodel dan onderzoeksbureau Ecorys. Ecorys becijferde op verzoek van toezichthouder ACM de kosten en baten voor netbeheerders en leveranciers, en kwam uit op een voordeel voor de gehele sector van enkele tientallen miljoenen euro’s per jaar.

Copyright©, Energeia, 2014